Ik weet de weg

Ik ben een supergoeie gids. Ik vind bijvoorbeeld altijd de weg terug naar huis. Zelfs als de terugweg anders is dan de heenweg. En zelfs op vakantie. Als mijn mens de verkeerde kant op loopt, blijf ik staan. Of ik ga gewoon de andere kant op. Mijn mens is niet zo goed in het vinden van de weg. Ze heeft er haar telefoonding voor nodig. In dat telefoonding woont een mevrouw. Een mevrouw met een rare stem, die zegt waar ze heen moet. De mevrouw heet Google Maps. Soms denkt mijn mens dat ze het beter weet dan Mevrouw Google Maps. Dan neemt ze een andere weg. En dan verdwalen we. Daarna luistert ze weer naar Mevrouw Google Maps. Of naar mij. Want ze weet dat ik altijd de weg terug naar huis vind. 

Ik ben dus haar gids. En een gids wil dus niet in een wagentje achter een fiets. Ik vind dat logisch. Stel je voor, je gaat als mens naar Rome. En je kent de stad nog niet, dus je huurt een gids die je de weg kan wijzen. Dan stop je je gids toch ook niet in een karretje achterop je fiets? 

Nou, mijn mens vond dat blijkbaar niet zo logisch. Want ze huurde een fietskar toen we op Texel waren. ‘Dat is leuk, Lou, lekker fietsen.’ Ik keek naar mijn mens. En naar die kar. ‘Ga maar in de kar’, zei ze toen. En ik dacht: ga zelf lekker in die kar. ‘Hup, in de kar, even proberen,’ zei ze toen. Ze keek er heel vrolijk bij. 

Dus ik in die kar. 

Mijn mens ging fietsen. Ik zag niks. Ik probeerde dus om mijn mens heen te kijken. Hoe kon ik anders zien waar we heen gingen en of dat wel goed ging allemaal. Maar daarvoor moest ik in die kar op mijn achterpoten gaan staan. Dat vond mijn mens gevaarlijk. Toen ritste ze het dakje van de kar dicht. Zodat ik niet meer kon gaan staan. Ik zag weer niks. 

Na vijf minuten begon ik te piepen. Eerst zachtjes. Ze zei dat ik even moest wennen. Toen ging ik wat harder piepen. Ze leek het niet te horen. Dus toen piepte ik nog harder. ‘Je hebt het nog niet lang genoeg geprobeerd, Lou’, zei mijn mens. Na tien minuten was ik aan het huilen als een wolf. Dat doen wij honden op speciale momenten. Als we willen laten weten aan onze mens of onze matties waar we zijn. Ik wist wel waar mijn mens was. Maar ze leek niet echt meer te weten dat ik hier zat. Ze draaide zich namelijk helemaal niet meer om tijdens het fietsen. Alsof ze me niet hoorde piepen. Een andere hond langs de kant van de weg dacht dat ik vroeg waar hij was. Dus ging hij ook huilen. ‘Ik ben hieeieieieieeieier’ huilde hij. Toen begon een mensenbaby te huilen. ‘Dit kan zo niet’, zei mijn mens toen. Nee, inderdaad, dacht ik, dit kan dus niet. 

Toen we terug waren kreeg ik een fietszitje voorop de fiets. Ik heb nooit meer gepiept. Ook niet gehuild. Wel geblaft. Heel hard. Maar dat is een ander verhaal, dat kun je lezen bij het verhaaltje ‘Kilo’.

Gelukkig is het probleem van het autorijden inmiddels ook opgelost. Het probleem was dat ik achterin moest. Dus sprong ik tijdens onze eerste autorit in een keer van de achterbank naar voren. Als een haas. Het was een mooie sprong. Ik was er supertrots op. Ik kon namelijk niet een aanloop nemen ofzo. Ik sprong dus met een hele vette sprong naar de stoel naast mijn mens. Dat was tenminste de bedoeling. Maar we reden door een bocht, waardoor ik op de schoot van mijn mens terechtkwam. Ik ging wel meteen zitten. Meestal krijg ik een snoepje als ik zit. Maar nu niet. Mijn mens riep: ‘Ah nee, Lou!’ Mijn kop zat recht voor haar snuit. Dus zag ze niks meer. Ik ben best groot als ik zit. 

Daarna kocht ze een riem om me vast te zetten aan de achterbank. Gelukkig ontdekte ik dat die van elastiek is. Inmiddels is de riem zo uitgerekt dat ik precies naast mijn mens kan staan. Kijk maar op de foto hierboven. Zo kan ik toch nog gids zijn.

Maar als we nou heel lang autorijden. En ik word een beetje moe. Of eigenlijk zo moe dat mijn ogen dichtvallen. Dan ga ik liggen. En blijft mijn snuit wakker om gids te zijn. Denk ik. 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *